Categorie archief: Geen categorie

Fietstocht 2019-1 Mastenbroekerpolder

Vorige week heb ik de jaarlijkse fietstocht gehouden met Anneke, een vriendin uit mijn kindertijd. Dit keer hadden we gekozen voor Drenthe. Veel voorbereidingstijd was er dit keer niet geweest, maar we hadden wel wat plaatsen op ons verlanglijstje.

Zo wilde ik graag door de Mastenbroekpolder rijden. In deze polders hield Albert van Raalte immers zijn eerste illegale preken.

Mastenbroekpolder; tussen Kampen en Genemuiden.

Maar Genemuiden heeft hem niet warm onthaald. Naarmate de gemeente van afgescheidenen groeit, ziet de hervormde predikant de banken in zijn kerk almaar leger worden. Hij noemt de separatisten dwepers die wanorde veroorzaken en waarschuwt voor noodlottige gevolgen. De burgemeester van het dorp spreekt van een kankergezwel dat uitgevaagd moet worden. Wanneer Albert over straat gaat, wordt hij vaak uitgejouwd en soms wordt een steen in zijn richting gegooid. Maar de jonge dominee is overtuigd van zijn boodschap van zondebesef en genade en daarom zet hij zijn geheime predicaties voort in de huizen en boerderijen van geloofsgenoten, vaak ver weg in de polders van Mastenbroek.

Uit: Machiel Dierks; het leven van een dagloner; deel 2

Kaart van de Mastenbroekerpolder uit 1750

We reden al vroeg door de weidse polder, met de wind in onze rug en een aangename 22 graden. In die omstandigheden moest ik wel mijn best doen om het volgende fragment uit het boek te plaatsen.

Een lage winterzon schijnt bleek over de haast verlaten Mastenbroekse polder. Lichtgebogen en met kalme, lange slagen gaat Albert over de bevroren sloten. Geregeld kijkt hij opzij en past zijn tempo aan, aan de jongen die de slede voortduwt waarop Christien zit, dik aangekleed in een sjieke wintermantel, haar handen in een warme mof.  Verkleumd naderen ze eindelijk een geïsoleerde boerderij. Ze hebben hun bestemming bereikt. Behendig zwenkt Albert op zijn Friese schaatsen en neemt de slee van de jongen over. Hij duwt Christien voort tot de houten opstap. Terwijl hij zijn schaatsen afbindt, stapt Christien stijf en verkleumd op het ijs en gezamenlijk lopen ze naar de boerderij, de jongen komt verlegen achter hen aan.

Als ze wat zijn opgewarmd, begint Albert zijn preek aan de gelovigen die op deze winterse dag hier zijn samengekomen. Even later luisteren ze geboeid naar Van Raalte die hen vermaant het kleed van zonde en ongeloof af te leggen en Jezus te zien als het begin en einde van hun geloof.

Uit: Machiel Dierks; het leven van een dagloner; deel 2

Toen we Genemuiden bijna genaderd waren, wachtte ons een verrassing, die ons meer leerde over deze oude polder. We stuitten op d’Olde Mesiene, Het Stoomgemaal Mastenbroek. Dit gemaal heeft Albert van Raalte in zijn tijd in Overijssel niet gezien. Het werd gebouwd in 1856.

De polder zou de oudste polder van Nederland zijn en werd al in 1390 omdijkt. Aanvankelijk werd de polder met behulp van windmolens ontwaterd, maar deze bleken op termijn niet afdoende om de polder droog te houden. Daaroom werd d’Olde Mesiene in 1855/56 gebouwd. Daarmee is het een van de oudste en het enige nog volledig authentieke stoomgemaal in Nederland.

Onze aandacht werd in eerste instantie getrokken door het rad dat naast het gemaal staat, maar dit is slechts een blikvanger. Wij dachten natuurlijk meteen aan het rad dat bij de Keenesluis moet komen.

Natuurlijk was het gemaal zelf gesloten en we konden slechts door een raampje naar de prachtige stoommachine kijken. Maar juist toen we weer op onze fietsen wilden stappen, kwam er een vrijwilliger aan. Het weekend ervoor was er een ‘stoomdag’ geweest en had de machine voor publiek gedraaid. De man kwam de boel inspecteren. Hij was zo vriendelijk ons binnen te laten en de nodige uitleg te geven.

Ook mochten we nog een kijkje nemen in het bezoekerscentrum, waar een model van de stoommachine staat. Bovendien kregen we allebei een informatieboekje mee. Natuurlijk hebben wij toen op onze beurt een donatie achtergelaten.

Dit jaar zijn er nog twee zogenaamde stoomdagen. De eerstvolgende dag is 14 september tijdens Open Monumentendag. De laatste stoomdag is op 5 oktober.


De Industrieschool (1)

In de loop van de 19de eeuw wordt de vraag naar geschoolde arbeiders steeds groter. Aanvankelijk kwamen deze mensen vooral uit Engeland en Duitsland. Om aan die vraag te kunnen voldoen, sticht de ‘Vereeniging ter bevordering van fabriek- en handwerksnijverheid in Nederland’ de school

In juli 1854 besluit de Haagse het gemeentebestuur om een lokaal van de armenschool aan de Voldersgracht ter beschikking te stellen.

In oktober van dat jaar is het bijna zover. Onderwijzers zijn benoemd en voldoende leerlingen hebben zich aangemeld.

Er zijn echter nog enige formaliteiten die afgehandeld moeten worden. Klaarblijkelijk moet eerst de wet van de vereniging (die in 1851 was opgericht) worden herzien. Kappeijne van de Cappello is dan een bekend advocaat en hij biedt zijn diensten aan. In 1855 wordt Lion Enthoven gekozen in het bestuur van deze vereniging.

De leerlingen

Wie aangenomen wil worden op de school moet een toelatingsexamen doen. De eisen voor dat examen zijn:

‘genoegzame bedrevenheid in het lezen , schrijven , de grondbeginselen der Nederlandsche taal, de hoofdregelen der cijferkunst, de behandeling der gewone en tiendeelige breuken, en den regel van drieën.’

De regel van drieën leert om tot drie gegevene grootheden of getallen, eene vierde evenredige te vinden

Een voorbeeld van een dergelijke verhouding som uit een schoolboekje uit die tijd is:

Twintig werklieden hebben in den tijd van 32 weken 5120 gulden verdiend, omdat zij tien uren per dag hebben gewerkt, hoe veel verdienen naar die evenredigheid 28 werk lieden, als zij, gedurende 60 weken 14 uren daags bezig zijn? 

Eenmaal toegelaten gaan de leerlingen na werktijd twee avonden per week naar school: op woensdag en zaterdag van 19.30 – 21.30 en in de tweede helft van het jaar van 20.30 – 21.30.

Het schoolgeld bedraagt 12 gulden per jaar, maandelijks te voldoen. Wie in gebreke blijft, krijgt een boete van 10% en kan van school worden gestuurd totdat het verschuldigde bedrag is betaald. Ook ongeoorloofd verzuim levert een boete op van 10 cent.

In 1859 fuseerde de Industrieschool met de Tekenacademie aan de Prinsessegracht.

Het neo-klassieke gebouw van de tekenacademie aan de Prinsessegracht;
1840; beeldcollectie Haags Gemeentearchief

Wordt vervolgd.


Volle klassen

Voor deel 3 van Machiel Dierks verdiep ik me in de armenschool aan het Slijkeinde waar decideren van Machiel heengingen.

De Stadsschool (Stads Armenschool), in 1734 gesticht aan het Slijkeinde bij het Kortenbos. Ca. 1750. Collectie Haags gemeentearchief

In zijn boek Het Kortenbosch; biografie van een Haagse arbeidersstraat wijdt Roel Wuite een zestal bladzijden aan de school en Willem Konings, hoofdonderwijzer van 1830 tot 1863.

Uit zijn onderzoek blijkt dat de gemeente in 1833 vier huisjes die aan de school grenzen, onteigend. De huisjes worden bij de school uit 1734 getrokken. De verbouwing biedt ruimte aan de onderwijzerswoning boven de school en een groot lokaal waarin alle kinderen worden gehuisvest.

Getuige een verslag van de zitting van de gemeenteraad van 29 juli 1859 gingen er 600 kinderen naar die school. Overigens zal het schoolverzuim naar alle waarschijnlijkheid hoog zijn geweest. Er was immers nog geen leerplichtwet en veel kinderen moesten werken in de fabrieken.

Hoe het ook zij. Al die kinderen in een koud, stinkend lokaal kregen les in rekenen, lezen, schrijven en zingen en als het meezat zedenleer, aardrijkskunde en geschiedenis van de hoofdonderwijzer, 5 hulponderwijzers en een aantal kwekelingen. Althans in theorie. Onderbezetting was toen ook al een probleem! Ook toen werd naar de toenmalige maatstaven op het onderwijs beknibbeld.

Hij (de onderwijzer) toch slijt zijn leven in een arbeid die velen eentoonig en vervelend voorkomt , die velen als ondankbaar afschilderen en zeker , als men de benificien als maatstaf aanneemt , als zeer ondankbaar moet erkennen. Nog in het afgeloopen jaar hebben de beraadslagingen in ’s lands wetgeving daarvan de bewijzen opgeleverd, hebben doen zien hoe die benificien beknibbeld werden, hoe sommige volksvertegenwoordigers er op uit waren in de nieuwe regeling het minst mogelijke door te zetten, ten einde , bij de vaststelling van de traktementen der openbare onderwijzers , het onderwijs voor een koopje te hebben. Mogten die discussiën vele gemeentebesturen toch niet voeren om zich streng aan het aangenomen minimum te houden en het op die wijze den beschaafden onderwijzer onmogelijk maken overeenkomstig zijne betrekking in de Maatschappij met een gezin te kunnen leven.

De Wekker, weekblad voor onderwijs en opvoeding; jrg 15; 7/1/1858


De Exodus van Hendrik Peter Scholte

Naar aanleiding van mijn laatste Nieuwsbrief kreeg ik een mailtje van Michiel van Diggelen. Ik had Michiel alweer een tijd geleden in Utrecht ontmoet. We bleken een gedeelde belangstelling te hebben voor de mannen van de Afscheiding van 1834.

Om de een of andere reden verloren Michiel en ik elkaar uit het oog. Zijn boek verscheen in April vorig jaar. Die gebeurtenis is helaas aan mijn aandacht ontsnapt. Met het mailtje van Michiel was het contact weer hersteld en enige dagen later bracht de postbode ‘De Exodus van Hendrik Peter Scholte’

Nu lees ik het boek met veel interesse. Ik moet dat doen tussen de bedrijven door van een drukke baan in het onderwijs. Op deze plaats wil ik graag meer aandacht besteden aan Michiels werk. Omdat ik dat met zorg wil doen, moet het daarvoor eerst zomervakantie worden.

Ter introductie alvast een stukje uit Machiel Dierks, waarin Hein Scholte voorkomt.

Aan de Amsterdamse Baangracht, aan de rand van de stad, stopt een rijtuigje voor een groot pakhuistachtig gebouw van wel vijf verdiepingen.

‘Hier is het’, weet de voerman. Albert tast in zijn buidel. Hij rekent het bedrag af dat hij voor de rit verschuldigd is. De jonge dominee in spe stapt af. Even staat hij stil, terwijl de koetsier doorrijdt. Hij kijkt naar de voorstelling van de drie fonteinen op de gevelsteen, die de naam van het pand verraadt. 

‘Het is een suikerraffinaderij’, had Hein Scholte gezegd. ‘Mijn zwager is de eigenaar en hij heeft een ruimte op de bovenverdieping waar we kunnen vergaderen.’

Een sjouwer rijdt een kruiwagen vol suikerbroden naar buiten, naar een schuit die aan de kade ligt. Vanuit een groter schip wordt de ruwe rietsuiker aangevoerd. Het is een vreemde plaats waar ze hebben afgesproken. Albert heeft een hekel aan de geheimzinnigheid die rondom de ontmoeting heerst. Alsof het verkeerd is wat ze doen. 

Gedecideerd loopt hij door de openstaande deur naar binnen. Hij wordt al verwacht en een bediende komt hem tegemoet.

‘Of mijnheer mij maar wil volgen.’

De jongen gaat hem voor naar de tweede verdieping. Daar laat hij hem in een klein kamertje. 

‘Of u hier maar even wilt wachten. Mijnheer komt zo.’

Even later komt een man binnen. Hij steekt zijn hand naar Albert uit en stelt zich voor: ‘Daan Brandt. Ik ben de zwager van Hein. Dit hele boeltje is van mij. Ik heb een mooie ruimte waar jullie ongezien kunnen vergaderen. Het werkvolk is er aan gewend dat er regelmatig zakenrelaties langskomen. Zij zullen niets achter jullie komst zoeken. Hein zal je zo wel komen halen. Sorry dat ik je alleen laat, maar er komt juist een nieuwe zending ruwe suiker aan. Uit Suriname. Ik controleer de kwaliteit graag zelf.’

Als Daan is vertrokken, kijkt Albert het wachtkamertje eens rond, gaat zitten, staat weer op, loopt naar het raam en staart uit over de gracht en de weilanden daarachter. Eindelijk is het dan zover. Hij zal zijn benoeming krijgen. Niet in de hervormde kerk. Die deur had hij in december voorgoed dichtgeslagen. Hij had geen keuze,  In sommige wetten kon hij zich niet vinden en toen daar niet meer over te praten viel, heeft hij die brief gestuurd. En nu is hij hier in dit Amsterdamse pand, waar zijn vrienden aanwezig zijn voor de oprichtingssynode van hun eigen kerkgenootschap, dat illegaal is voor de wet. 

De deur gaat al open. Ditmaal is het Hein die hem komt halen. ‘Kom maar mee, we zitten boven’, gaat hij Albert voor. Om een grote tafel in het midden van de vergaderruimte zitten de mannen bijeen. Hein Scholte neemt zijn plaats aan het hoofd in. Naast hem zit Hendrik de Cock. En daar heb je ook George Gezelle Meerburg en dan zijn er nog de  ouderlingen.

‘Ben Ploeg uit Klundert’, stelt de man naast George zich voor. Albert vraagt zich af of Beausar daar nog steeds dominee is. Even denkt hij terug aan de man die zijn vader destijds in Fijnaart heeft bevestigd. Hij zal dat straks toch eens vragen aan die Ben. 

De broeders zijn allemaal eerder afgestudeerd dan Albert. Alle vijf waren ze beroepen en alle vijf zijn ze in de loop van de afgelopen anderhalf jaar als hervormd predikant afgezet vanwege hun overtuiging. Ook George, Simon en Anthony hebben de afgelopen maanden de nodige tegenwerking ondervonden en zijn uiteindelijk door het kerkbestuur uit hun ambt gezet. 

‘Ga zitten, Albert’, nodigt Hein en hij vervolgt: ‘Albert, je hebt een beroeping ontvangen voor onze gemeente Genemuiden/Mastenbroek. We kennen je en jij kent ons en onze kerk. We hebben er over vergaderd en we hebben gestemd, maar tenslotte hebben we God door het lot laten beslissen. We moeten je wel ondervragen voor we je daadwerkelijk kunnen benoemen.’

‘Ja, natuurlijk’, antwoordt de kandidaat en hij kijkt zijn vrienden open in de ogen. 

‘De vergadering heeft mij tot preses gekozen, dus ik zal je de vragen stellen. Ben je er klaar voor?’

‘Ja hoor, brand maar los.’

Wil je meer weten over de voortgang van deel 3 van Machiel Dierks? Kijk dan op mijn site.


Hoe Machiel Dierks mij naar Heereveen en Ulrum bracht.

Een tochtje door het noorden van het land bracht ons gisteren bij twee dominees uit de negentiende eeuw. De eerste was in Heereveen. Daar is het charmante Domela Nieuwenhuis museum.

Daarna hebben we een bezoek gebracht aan het plaatsje Ulrum in het noordwesten van Groningen. Hier begon de Afscheiding van 1835, die zo’n grote rol speelt in het leven van Albert van Raalte in deel 2 van ‘Machiel Dierks het leven van een dagloner’. Een fragment:

‘Het heeft natuurlijk alles te maken met de moeilijkheden van Hendrik de Cock en Hein Scholte vorig jaar in Ulrum.’ Anthony vraagt zich af of ze zich over die kwestie niet uit moeten laten. ‘Het is toch onverteerbaar dat zij nu buiten de kerk staan.’

‘Maar hoe is dat eigenlijk precies gegaan?’, wil Albert weten.

‘Je weet dat de Cock al in juni vorig jaar uit het ambt is gezet.’

Albert knikt instemmend en vraagt: ‘Maar was dat nou enkel omdat hij, notabene op verzoek van de ouders, kinderen van buiten zijn gemeente had gedoopt?’

‘Ja, eigenlijk wel. Hij had misschien wat diplomatieker kunnen zijn, maar in wezen ging het daarom.’

‘En Hein?’

‘Hein was hem in Ulrum op gaan zoeken, als vriend. De Cock had toen immers juist zijn dochtertje verloren. Omdat De Cock in zijn eigen gemeente buitenspel was gezet, heeft de kerkenraad aan Hein gevraagd of hij er eens wilde preken. Maar daar ging de vervanger van de Cock natuurlijk niet mee akkoord. Er is toen een hele rel ontstaan, in de kerk notabene. Hein werd geschorst. Kort daarna is hij zelf uitgetreden. En nu willen ze dus ook al verhinderen dat jij benoemd wordt.’

De pastorie waar de Cock heeft gewoond.

https://dorpsonderzoekulrum.weebly.com/hervormde-pastorie—hendrik-de-cock.html

De hervormde kerk van Ulrum, waar de Cock zijn preken hield.

In een uitzending uit 2014 van de eo komen de gebeurtenissen in Ulrum aan bod. Bekijk het filmpje vanaf 18.00 min.


De armen,- en benenfabriek

Het leven van een fabrieksarbeider was in de 19de eeuw bijzonder zwaar. Bij Enthoven werden werkdagen gemaakt tot wel 16 uur en werkweken van honderd uur waren geen uitzondering.
Dat het werk ook de nodige gevaren met zich meebracht, blijkt uit tientallen kranten-berichten over rampzalige ongelukken. Door de vele verwondingen aan ledematen, kreeg de fabriek de benaming van armen,- en benenfabiiek. Op 19 juni 1850 gebeurde een vreselijk ongeluk, als gevolg waarvan twee mensen het leven verloren. In deel 3 van Machiel Dierks,maakt Machiel dit drama van dichtbij mee.
Enthoven ongeluk 1850 kopie 2Enthoven ongeluk 1850 kopie
Een maand later zijn twee van slachtoffers aan hun verwondingen overleden.
Napoleonsnijkers
Het was even zoeken of er meer over deze mensen te vinden was. ‘de persoon van Oosterman’, betreft de dan 36-jarige, uit Isselburg in Duitsland afkomstige Johann Diederich Ostermann. Diederich is op dat moment negen jaar getrouwd met de 30-jarige Haagse Wilhelmina Adriana Wanders. Zij hebben voor zover ik na kan gaan twee kinderen: Aaltje van tien en Hendrik van vier en Wilhelmina is zeven en een halve maand zwanger van Dirk.
Napoleon Snijkers is in 1806 geboren in Rothem (Limburg). Hij trouwde in 1840 met de toen 19-jarige, in Den Haag geboren, Apolonia Smeele. Napoleon laat vijf kinderen na: Maria van elf, Pieter van vijf, Johanna van drie en Elisabeth van drie maanden. Een eerder dochtertje met dezelfde naam als de jongste is al in 1844, op tweejarige leeftijd, overleden
Apolonia hertrouwt in 1857 met de zes jaar jongere Johannes de Raat.

De metaalgieterij en pletterij

Dit bericht is eerder verschenen op mijn website amvermeulen.me 
Machiel Dierks en zijn zonen werken in deel 3 bij De metaalgieterij en pletterij van Enthoven in Den Haag. Hoe ging het er in zo’n fabriek aan toe? Daarvoor zijn wel enkele bronnen beschikbaar. In de eerste plaats is er De geschiedenis van de techniek in Nederland van W. Lintzen. Daarin staan uitgebreide technische beschrijvingen van de diverse werkzaamheden.
Daarnaast zijn er verschillende schilderijen uit de tweede helft van de 19de eeuw, die een sfeerbeeld geven van het werk in dit soort fabrieken.