Categorie archief: Geen categorie

De Exodus van Hendrik Peter Scholte

Naar aanleiding van mijn laatste Nieuwsbrief kreeg ik een mailtje van Michiel van Diggelen. Ik had Michiel alweer een tijd geleden in Utrecht ontmoet. We bleken een gedeelde belangstelling te hebben voor de mannen van de Afscheiding van 1834.

Om de een of andere reden verloren Michiel en ik elkaar uit het oog. Zijn boek verscheen in April vorig jaar. Die gebeurtenis is helaas aan mijn aandacht ontsnapt. Met het mailtje van Michiel was het contact weer hersteld en enige dagen later bracht de postbode ‘De Exodus van Hendrik Peter Scholte’

Nu lees ik het boek met veel interesse. Ik moet dat doen tussen de bedrijven door van een drukke baan in het onderwijs. Op deze plaats wil ik graag meer aandacht besteden aan Michiels werk. Omdat ik dat met zorg wil doen, moet het daarvoor eerst zomervakantie worden.

Ter introductie alvast een stukje uit Machiel Dierks, waarin Hein Scholte voorkomt.

Aan de Amsterdamse Baangracht, aan de rand van de stad, stopt een rijtuigje voor een groot pakhuistachtig gebouw van wel vijf verdiepingen.

‘Hier is het’, weet de voerman. Albert tast in zijn buidel. Hij rekent het bedrag af dat hij voor de rit verschuldigd is. De jonge dominee in spe stapt af. Even staat hij stil, terwijl de koetsier doorrijdt. Hij kijkt naar de voorstelling van de drie fonteinen op de gevelsteen, die de naam van het pand verraadt. 

‘Het is een suikerraffinaderij’, had Hein Scholte gezegd. ‘Mijn zwager is de eigenaar en hij heeft een ruimte op de bovenverdieping waar we kunnen vergaderen.’

Een sjouwer rijdt een kruiwagen vol suikerbroden naar buiten, naar een schuit die aan de kade ligt. Vanuit een groter schip wordt de ruwe rietsuiker aangevoerd. Het is een vreemde plaats waar ze hebben afgesproken. Albert heeft een hekel aan de geheimzinnigheid die rondom de ontmoeting heerst. Alsof het verkeerd is wat ze doen. 

Gedecideerd loopt hij door de openstaande deur naar binnen. Hij wordt al verwacht en een bediende komt hem tegemoet.

‘Of mijnheer mij maar wil volgen.’

De jongen gaat hem voor naar de tweede verdieping. Daar laat hij hem in een klein kamertje. 

‘Of u hier maar even wilt wachten. Mijnheer komt zo.’

Even later komt een man binnen. Hij steekt zijn hand naar Albert uit en stelt zich voor: ‘Daan Brandt. Ik ben de zwager van Hein. Dit hele boeltje is van mij. Ik heb een mooie ruimte waar jullie ongezien kunnen vergaderen. Het werkvolk is er aan gewend dat er regelmatig zakenrelaties langskomen. Zij zullen niets achter jullie komst zoeken. Hein zal je zo wel komen halen. Sorry dat ik je alleen laat, maar er komt juist een nieuwe zending ruwe suiker aan. Uit Suriname. Ik controleer de kwaliteit graag zelf.’

Als Daan is vertrokken, kijkt Albert het wachtkamertje eens rond, gaat zitten, staat weer op, loopt naar het raam en staart uit over de gracht en de weilanden daarachter. Eindelijk is het dan zover. Hij zal zijn benoeming krijgen. Niet in de hervormde kerk. Die deur had hij in december voorgoed dichtgeslagen. Hij had geen keuze,  In sommige wetten kon hij zich niet vinden en toen daar niet meer over te praten viel, heeft hij die brief gestuurd. En nu is hij hier in dit Amsterdamse pand, waar zijn vrienden aanwezig zijn voor de oprichtingssynode van hun eigen kerkgenootschap, dat illegaal is voor de wet. 

De deur gaat al open. Ditmaal is het Hein die hem komt halen. ‘Kom maar mee, we zitten boven’, gaat hij Albert voor. Om een grote tafel in het midden van de vergaderruimte zitten de mannen bijeen. Hein Scholte neemt zijn plaats aan het hoofd in. Naast hem zit Hendrik de Cock. En daar heb je ook George Gezelle Meerburg en dan zijn er nog de  ouderlingen.

‘Ben Ploeg uit Klundert’, stelt de man naast George zich voor. Albert vraagt zich af of Beausar daar nog steeds dominee is. Even denkt hij terug aan de man die zijn vader destijds in Fijnaart heeft bevestigd. Hij zal dat straks toch eens vragen aan die Ben. 

De broeders zijn allemaal eerder afgestudeerd dan Albert. Alle vijf waren ze beroepen en alle vijf zijn ze in de loop van de afgelopen anderhalf jaar als hervormd predikant afgezet vanwege hun overtuiging. Ook George, Simon en Anthony hebben de afgelopen maanden de nodige tegenwerking ondervonden en zijn uiteindelijk door het kerkbestuur uit hun ambt gezet. 

‘Ga zitten, Albert’, nodigt Hein en hij vervolgt: ‘Albert, je hebt een beroeping ontvangen voor onze gemeente Genemuiden/Mastenbroek. We kennen je en jij kent ons en onze kerk. We hebben er over vergaderd en we hebben gestemd, maar tenslotte hebben we God door het lot laten beslissen. We moeten je wel ondervragen voor we je daadwerkelijk kunnen benoemen.’

‘Ja, natuurlijk’, antwoordt de kandidaat en hij kijkt zijn vrienden open in de ogen. 

‘De vergadering heeft mij tot preses gekozen, dus ik zal je de vragen stellen. Ben je er klaar voor?’

‘Ja hoor, brand maar los.’

Wil je meer weten over de voortgang van deel 3 van Machiel Dierks? Kijk dan op mijn site.


Hoe Machiel Dierks mij naar Heereveen en Ulrum bracht.

Een tochtje door het noorden van het land bracht ons gisteren bij twee dominees uit de negentiende eeuw. De eerste was in Heereveen. Daar is het charmante Domela Nieuwenhuis museum.

Daarna hebben we een bezoek gebracht aan het plaatsje Ulrum in het noordwesten van Groningen. Hier begon de Afscheiding van 1835, die zo’n grote rol speelt in het leven van Albert van Raalte in deel 2 van ‘Machiel Dierks het leven van een dagloner’. Een fragment:

‘Het heeft natuurlijk alles te maken met de moeilijkheden van Hendrik de Cock en Hein Scholte vorig jaar in Ulrum.’ Anthony vraagt zich af of ze zich over die kwestie niet uit moeten laten. ‘Het is toch onverteerbaar dat zij nu buiten de kerk staan.’

‘Maar hoe is dat eigenlijk precies gegaan?’, wil Albert weten.

‘Je weet dat de Cock al in juni vorig jaar uit het ambt is gezet.’

Albert knikt instemmend en vraagt: ‘Maar was dat nou enkel omdat hij, notabene op verzoek van de ouders, kinderen van buiten zijn gemeente had gedoopt?’

‘Ja, eigenlijk wel. Hij had misschien wat diplomatieker kunnen zijn, maar in wezen ging het daarom.’

‘En Hein?’

‘Hein was hem in Ulrum op gaan zoeken, als vriend. De Cock had toen immers juist zijn dochtertje verloren. Omdat De Cock in zijn eigen gemeente buitenspel was gezet, heeft de kerkenraad aan Hein gevraagd of hij er eens wilde preken. Maar daar ging de vervanger van de Cock natuurlijk niet mee akkoord. Er is toen een hele rel ontstaan, in de kerk notabene. Hein werd geschorst. Kort daarna is hij zelf uitgetreden. En nu willen ze dus ook al verhinderen dat jij benoemd wordt.’

De pastorie waar de Cock heeft gewoond.

https://dorpsonderzoekulrum.weebly.com/hervormde-pastorie—hendrik-de-cock.html

De hervormde kerk van Ulrum, waar de Cock zijn preken hield.

In een uitzending uit 2014 van de eo komen de gebeurtenissen in Ulrum aan bod. Bekijk het filmpje vanaf 18.00 min.


De armen,- en benenfabriek

Het leven van een fabrieksarbeider was in de 19de eeuw bijzonder zwaar. Bij Enthoven werden werkdagen gemaakt tot wel 16 uur en werkweken van honderd uur waren geen uitzondering.
Dat het werk ook de nodige gevaren met zich meebracht, blijkt uit tientallen kranten-berichten over rampzalige ongelukken. Door de vele verwondingen aan ledematen, kreeg de fabriek de benaming van armen,- en benenfabiiek. Op 19 juni 1850 gebeurde een vreselijk ongeluk, als gevolg waarvan twee mensen het leven verloren. In deel 3 van Machiel Dierks,maakt Machiel dit drama van dichtbij mee.
Enthoven ongeluk 1850 kopie 2Enthoven ongeluk 1850 kopie
Een maand later zijn twee van slachtoffers aan hun verwondingen overleden.
Napoleonsnijkers
Het was even zoeken of er meer over deze mensen te vinden was. ‘de persoon van Oosterman’, betreft de dan 36-jarige, uit Isselburg in Duitsland afkomstige Johann Diederich Ostermann. Diederich is op dat moment negen jaar getrouwd met de 30-jarige Haagse Wilhelmina Adriana Wanders. Zij hebben voor zover ik na kan gaan twee kinderen: Aaltje van tien en Hendrik van vier en Wilhelmina is zeven en een halve maand zwanger van Dirk.
Napoleon Snijkers is in 1806 geboren in Rothem (Limburg). Hij trouwde in 1840 met de toen 19-jarige, in Den Haag geboren, Apolonia Smeele. Napoleon laat vijf kinderen na: Maria van elf, Pieter van vijf, Johanna van drie en Elisabeth van drie maanden. Een eerder dochtertje met dezelfde naam als de jongste is al in 1844, op tweejarige leeftijd, overleden
Apolonia hertrouwt in 1857 met de zes jaar jongere Johannes de Raat.

De metaalgieterij en pletterij

Dit bericht is eerder verschenen op mijn website amvermeulen.me 
Machiel Dierks en zijn zonen werken in deel 3 bij De metaalgieterij en pletterij van Enthoven in Den Haag. Hoe ging het er in zo’n fabriek aan toe? Daarvoor zijn wel enkele bronnen beschikbaar. In de eerste plaats is er De geschiedenis van de techniek in Nederland van W. Lintzen. Daarin staan uitgebreide technische beschrijvingen van de diverse werkzaamheden.
Daarnaast zijn er verschillende schilderijen uit de tweede helft van de 19de eeuw, die een sfeerbeeld geven van het werk in dit soort fabrieken.

Boekpresentatie

Afgelopen zondag presenteerde ik het boek ‘De Mooye Keene, geschiedenis van een zeearm.
Schitterend weer, een prachtige locatie en een geïnteresseerd publiek
N.B. De foto’s van de presentatie zijn gemaakt door Jan Nuijten
8f9842_60538acd116d43cca0fff14d93c53e99~mv2_d_1920_1280_s_2
In de tuin van ‘Huize de Blaak’ vertelde ik hoe het boek tot stand was gekomen en ik stelde de toehoorders voor aan de sluiswachter Gelinus van Wezel.
gelinus
In 1792 was Gelinus 58 jaar oud was en hij had al een veelbewogen leven achter de rug. Hij was geboren aan de Barlaque en woonde daar nog steeds. Gelinus was een welgesteld man en naast sluiswachter ook veerman, tavernier en landbouwer. Een buitenechtelijke affaire met zijn dienstmeid Cornelia van der Wielen had in het verleden geleid tot een zwangerschap en dat had de twee in aanzienlijke problemen gebracht. Nadat Gelinus vrouw in 1781 was overleden, is hij alsnog met Cornelia getrouwd.
Het moet in de eerste maanden van 1793 zijn, toen de gezworenen van de Fijnaart,- en Keenepolder in de pen klommen om hun beklag te doen bij de Raden van het Markiezaat. Gelinus zou zijn taak als sluiswachter niet naar behoren vervullen.
In de tuin van ‘Huize de Blaak’ vertelde ik hoe het boek tot stand was gekomen Ik stelde de toehoorders voor aan de sluiswachter Gelinus van Wezel.
 
Ik vertelde over de inspectietocht van Lodewijk Napoleon door Brabant en Zeeland, toen de koning de sluizen van de Dintel bezocht, die van zoveel belang waren voor de Mooye Keene en ik las een fragment voor uit het boek van van Mechelen.
lodeijk napoleon
‘Een blijde boodschap: dat de Koning van Holland de Sassen zou komen in ogen-schouw nemen, bereikte het Heemraadschap den achtsten April, en werd verwezenlijkt op den acht-en-twintigsten dierzelfde maand. Groote verwachtingen van dat bezoek werden gewekt en vele maatregelen genomen, om Z.M. op waardige wijze te ont-vangen.
Kosten noch moeite werden gespaard om Hem gunstig te stemmen, ten einde hulp en steun in den benarden geldelijke toestand te bekomen.
Reeds daags tevoren vereenigden zich de Bestuursleden bij de sluizen, om toch geen gelegenheid te laten ontglippen om Z.M. zooveel mogelijk voor zich in te nemen, en om zelf de hand te kunnen slaan aan de laatste toebereidselen voor eene Vorsteijke ontvangst. Met den dag stegen de verwachtingen van de hulp die Lodewijk Napoleon kon, en zeker geven zou!.. Men kende zijn zwak voor populariteit, en zjn goeden aard, en schoon geen vleiers, maar eerzame stoere werkers, besloten zij een beroep te doen op zijn goed hart, ten behoeve der zwaar belaste streek. De notulen van den dag getuigen van hun goed overleg; maar ook van den goeden wil des Konings.
De werken bezichtigde Hij tot in de kleinste details. Hij liet zich de geldelijke toestand blootleggen, en was zeer minzaam met het Bestuur. Hij drong aan op onverwijlde afwerking, beloofde zijn persoonlijke steun, en gaf den welgemeenden raad Hem zoo spoedig mogelijk een verzoek-schrift te schrijven ter verkrijging van een subsidie van fl 100.000,- met toezegging, minstens toch een renteloos voorschot te zullen ontvangen van dat bedrag.’

 

Het verhaal van Pastoor van Gils, die zich het leven benam door in de Mooye Keene te springen, haalde ik aan en hoe de vader van Geert Reuvers nog wist hoe hij met zijn moeder knielde bij de sluis om te bidden voor het zieleheil van de pastoor.
 
Tenslotte stelde ik het publiek de vraag hoe het zou zijn als de geschiedenis een andere loop genomen zou hebben en het plan voor het Moerdijkkanaal van Ir. Bongaerts zou zijn uitgevoerd.
 
Dat en nog veel meer is te lezen in het boek ‘De Mooye Keene, geschiedenis van een zeearm.
Op mijn site houd ik inmiddels ook een blog bij. Neem daar gerust eens een kijkje:

https://www.amvermeulen.me

 


Uitnodiging

Wie mij volgt op Facebook heeft het waarschijnlijk al gelezen. ‘De Mooye Keene; Geschiedenis van een zeearm’  is af. De presentatie vindt plaats op 9 september a.s. tijdens de Kunst & Cultuurroute Moerdijk. Woon je in de buurt of vind je het leuk om langs te komen, dan ben je van harte uitgenodigd. Klik op de uitnodiging voor een vergroting.

Als de presentatie geweest is,  zal ik weer vaker mijn bijdrage plaatsen op dit blog. Dan ga ik weer schrijven aan het derde deel van Machiel Dierks en zal ik hier als vanouds berichten over mijn vorderingen.

Tot dan of wie weet tot 9 september.


Fietsen langs de veldtocht deel 2

Wij hebben in Zondereigen overnacht.

Hier vond de eerste confrontatie plaats tussen de Nederlandse soldaten en Belgische ‘blauwkielen’.

Bij zonsopkomst de volgende morgen slaan de tamboers reveille. Met de prins Admiraal aan het hoofd trekt de divisie verder. Bij Sondereigen is er oponthoud. Het zijn jagers en schutters van de voorpost.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Hebben jullie gevochten?’
‘Ze hebben gevochten.’
‘Er is gevochten.’ gaat het door de gelederen.
‘Gisteren.’
‘400 blauwkielen.’
‘Hoeveel?’
‘Honderden.’
‘Wel duizend man.’
‘Zwaar gevochten. Drie van ons dood.’
‘Doden en veel gewonden.’
‘We hebben gewonnen. Ze zijn gevlucht. De rest van die blauwkielen is gevlucht.’

Na Zondereigen fietsen wij de volgende morgen verder in de richting van Merksplas. Op de route wederom een voormalige herberg. De Zwaan was een populaire naam voor dergelijke afspanningen. Deze lag aan een doorwaadbare plek aan de Mark.

IMG_0478

Even verderop dit prachtige boerderijtje. Ik stel er me volgende scene uit het boek bij voor:

De divisie trekt verder. Kleine vijandelijke eenheden vluchten voor hen uit. Waar ze komen, dringen ze huizen binnen op zoek naar blauwkielen. 
‘Kom jongens, hier. Co jij ook.’
In het keukentje staan twee angstige oude mensen tegen de muur. De man houdt een jachtgeweer gericht op de binnenstormende soldaten. Hij houdt zijn bibberende hand aan de trekker. Nerveus slaat Co hem het wapen uit handen. 
‘Neem mee!
‘Geen wapens achterlaten.’
‘Verder zoeken.’
Ze vinden jachtgeweren en pieken. De meeste bewoners zijn bang en leveren direct in wat maar voor wapen door kan gaan. Uit enkele huizen wordt gevuurd. 
‘Pas op, duiken!’
‘Blauwkielen. Daarbinnen zitten blauwkielen.’
Schutters trekken binnen. Er klinken schoten. Een blauwkiel wordt weggevoerd. Een ander dood achtergelaten.

IMG_0479

Dan maken we een uitstapje van de route, omdat we als Fendertse meiden de bron van de rivier De Mark graag op willen zoeken. Hier ligt het begin van de rivier die voor West-Brabant eeuwenlang een levensader is geweest.

Het beekdalletje slingert zich nu droog, door een bosje …….. en verder door de velden  in de richting van Merksplas.

In Merksplas bezochten we de bedelaarskolonie, die door Johannes van de Bosch is verwezenlijkt naar analogie van de kolonies in Drenthe (Veenhuizen, Ommerschans, etc.)

Er is een goed verzorgd informatiecentrum en een mooie website

Deze kolonie en die van het nabijgelegen Wortel waren in functie ten tijde van de Tiendaagse Veldtocht.

Inmiddels was de temperatuur opgelopen tot een verzengende 36 graden. We konden ons prima verplaatsen in Jacob van Slot, die dit traject in augustus 1831 met volle bepakking volgde.

De volgende dag gaat het verder in westelijke richting naar Oostmalle. Een afleidingsmanoeuvre. De zon schijnt warm over de velden. De drukkende hitte benauwt Co. Steeds zwaarder hangt zijn bepakking aan zijn schouders. Zijn mond voelt droog, zijn tong dik. Zijn veldfles is al uren leeg. Niemand heeft nog drinken. Water, waar is water? Dorst, de mannen hebben dorst. Sommige jongens worden onwel en moeten achterblijven. Anderen smijten overjassen en vesten neer. Ransels worden als overbodige ballast achtergelaten. Waar de troepen zijn gepasseerd, liggen velden en wegen ermee bezaaid. Co probeert krampachtig vast te houden aan zijn spullen. Hij heeft hoofdpijn, voelt zich misselijk. Moeizaam sleept hij zich voort. Het marstempo houdt hij niet meer bij. Juist als hij maar helemaal op wil geven komt een kar vol grote houten vaten aan gedenderd. Eindelijk drinken!

De hitte putte ons zodanig uit dat een bezichtiging van een aantal vroeg 19-de eeuwse boerderijen in Vosselaar in de buurt van Turnhout zich beperkte tot deze ene. img_0494.jpg

Van Oostmalle gaat het oostwaarts naar Turnhout. Ze bezetten de straatweg naar Antwerpen en maken bivak bij Vosselaar. De tweede divisie is hen voorgegaan. Op het plein ligt de vlag van de revolutie aan flarden. Ook de vrijheidshoed is van de toren gehaald en vertrapt. Overal ligt kapotgeslagen huisraad. Ruiten zijn ingeslagen en deuren hangen uit hun voegen. Er is geroofd en geplunderd, hier en in de dorpen rondom. Aardappelen zijn van het land gehaald en groentes uit tuinen geplukt. Uit schuren is graan genomen en meel, stro en zelfs hooi om op te slapen. Soldaten zijn huis in huis uit gegaan en hebben er potten en pannen en tafels en stoelen weggesleept. Alles wat maar enigszins bruikbaar was voor het bivak hebben ze meegenomen. De inwoners zijn in paniek gevlucht.

Wat overblijft neemt het bataljon. Onder aanvoering van officieren en onder-officieren halen ze de laatste resten uit tuinen en schuren: aardappelen, graan, hier en daar wat groente, een koe uit een weiland, een varken uit zijn hok. In een schuur treffen ze een neergestoken boer, de doodsangst verstijfd op zijn gelaat. Tussen het graan op het veld liggen verschillende gesneuvelde blauwkielen. Een zwaar gewonde Belgische soldaat krijgt een genadeschot.

We zagen ons genoodzaakt de route wat in te korten en bereikten tenslotte ons doel, een hotel in de bossen bij Kasterlee.