Categorie archief: Keenesluis

Tussen Schelde en Rijn

hellegatthijsse

Hellegat met strekdam uit: Jac. P. Thijsse Onze Groote Rivieren

In de twintiger en dertiger jaren laaide de discussie op omtrent een betere verbinding over water tussen Antwerpen en het Hollands Diep. Bij de afscheiding van België, zowat honderd jaar eerder, hadden onze zuiderburen een vrije doorvaart naar het noorden bedongen. Door de aanleg van de spoorlijn Roosendaal naar Vlissingen werd die doorvaart belemmerd. Er werden kanalen gegraven  van Hansweert naar Wemeldinge en van Vlissingen naar Veere.  Op termijn bleek deze oplossing niet afdoende en de Belgen gaven aan een kanaal van Antwerpen naar Moerdijk te wensen.

Verschillende opties voor het te volgen tracé werden onderzocht. Een interessant voorstel in het licht van mijn boek over de Mooye Keene is het voorstel van W P G (Wim) Assmann, journalist en later hoofdredacteur van het katholieke blad De Grondwet (voorloper van BN/De Stem).

kanall

Kaartje met het tracé door West-Brabant, volgens het voorstel van W. P. G. Assmann

Assmann projecteerde een kanaal dat vanuit de Oosterschelde boven Bergen op Zoom via Fort de Rovere naar de Roosendaalse Vliet en verder naar de Mark en door het stroomgebied van de Mooye Keene zou lopen.

Dit plan is door ‘Den Haag’ nooit serieus genomen. De uitvoering van de Schelde-Rijn verbinding moest zelfs wachten tot de jaren 70.

Meer over dit plan valt straks te lezen in het boek: ‘De Mooye Keene; geschiedenis van een zeearm’.

 


Artikel Machiel Dierks

Een mooi artikel van de hand van Jan Willem van Bodegom over Machiel Dierks. Blij mee. Klik op de afbeeldingen om het stuk te kunnen lezen.

FLsept2017-1

 

FLsept2017-2


1287 verdeling van het land van Breda

Na een paar dagen ertussenuit te zijn geweest, ben ik hard aan het werk aan het boek over de Mooye Keene en de Keenesluis.

Het wordt een geschiedenisboek, waarbij de waterloop centraal staat. Iedere periode wordt verlevendigd met een geromantiseerd verhaal rondom een historische gebeurtenis.

Het verhaal begint op 12 juni 1287 wanneer Jan I, hertog van Brabant, het land van Breda beleend aan  Raso van Gaveren en  Gerard van Wesemale. Raso werd heer van Breda en Gerard kreeg stad en land van Bergen op Zoom. Het veengebied bij de Barlake in het noordwesten maakte deel uit van een condominium, waar beide heren het recht hadden hun gezag uit te oefenen.

In het Nationaal Archief bevindt zich de akte van de verdeling.

Een vertaling van de Latijnse tekst door Geertrui Van Synghel staat op internet. Hieruit een klein stukje.

….. En dit gedaan zijnde zal Gerard van Wezemaal de rest van het land van Breda gelijkelijk verdelen met de heer van Liedekerke, van begin tot eind, in hoog en laag, in vochtig en droog, zonder alle ruzies en bedrog …..


Voorlezen

Je kan nu het verhaal volgen van Jan Adriaensen Treurtniet bij de Geuzen, dat ik voorlas tijdens de Kunst en Cultuurroute Moerdijk.

Met dank aan Gerbert Kannekens, die de opname maakte.


Jan Adriaensen Treurtniet

De laatste weken ben ik druk bezig geweest met de voorbereiding voor de Kunst en Cultuurroute Moerdijk, waar ik een aantal verhaaltjes voor zal lezen uit ‘De Mooie Keene, geschiedenis van een zeearm’.

Het beloven twee mooie weekenden te worden op 10/11 en 17/18 september. Ineke Peters van de Stichting Vrienden van de Keenesluis heeft een mooi programma opgesteld. Kom je in de buurt, kom dan zeker eens langs. Voor wie niet kan komen, hieronder vast het verhaal van Jan Adriaensen Treurtniet die met zo’n 300 andere Geuzen in 1572 het eiland van Klundert, Fijnaart en Ruijgenhil bezette.

eiland-klundert

Het is een donkere nacht. De sterrenhemel gaat schuil achter een dik wolkendek. Slechts af en toe licht een maansikkeltje even op.  De kreken zijn nog bevroren van de kou van de laatste dagen, maar de ingevallen dooi legt plassen op het ijs en verandert de harde bonken klei in een slappe, kleverige massa, waarover het moeilijk gaan is. De schotsen die bij vloed tegen de gorzen omhoog zijn gekruid, smelten langzaam weg. In de stilte van de nacht is slechts het zacht sijpelen van het water hoorbaar. Over de veerdam gaat een tiental gewapende kerels. Het is Jan Adriaensen met zijn mannen. Ze zijn op weg naar de schepen die op de Barlake voor anker liggen.

Jan is een sterke kerel van 29 jaar. Als dijker heeft hij jaren op het eiland gewerkt. Eerst om de Ruijgenhil in te polderen, daarna waren ze ten westen van de Fendertse polder begonnen. Het was een zwaar leven: rauw en armoedig. Jan voelt nog steeds de woede van toen. Hoe de dijkmeesters de dijkers uitbuitten. Een heel daggeld vingen ze, maar de arbeiders stuurden ze na een halve dag of een paar uur al weg. Het maakte Jan razend en somber en dan kocht hij bier van zijn zuur verdiende geld en bezatte zich en maakte ruzie met andere dijkers.

Toen hij hoorde van de watergeuzen had hij zijn kans waargenomen. Het avontuur lokte hem en de soldij. Van de nieuwe religie, die sommigen aanhingen, wist hij niets, maar hun verzet tegen de gevestigde orde sprak hem aan. Hij kwam in het vendel van van Lit en was in Ravenstein geweest en Dordrecht en Heinkensoord. Hij hoorde van de Spaanse furie en vertelde van pastoor Luijckx, die mensen van het nieuwe geloof had verraden. Toen ze hier op het eiland terugkwamen is hij tot rotmeester benoemd. Meedogenloos heeft hij geplunderd. Het was voor de goede zaak. Het graan was voor de Geuzen. Dat hij de pachters brodeloos maakte, dat de pastoor was opgepakt, gemarteld en omgebracht, het deerde hem niet. Daarom noemen ze hem Treurtniet.

Plotseling schrikken de mannen op. De hemel licht op. Kanonschoten verscheuren bulderend de stilte. Onthutst kijken ze elkaar aan: ‘De Spanjaarden’, meent Jan en grijpt zijn haakbus stevig vast. Het is niet de eerste keer dat die spanjolen een poging wagen het eiland op de Geuzen terug te veroveren. Gejaagd gaan ze verder. De klei plakt zwaar aan hun laarzen, maar het veer waar de schepen liggen is niet ver meer.

Aan de steiger ligt de sloep op hen te wachten. Hendrick wil al instappen.
‘Wacht,’ houdt Jan hem tegen: ‘kijk!
Opnieuw lichtt de hemel op. De mannen kijken over het water, waar de schepen moeten liggen.
‘Donders, ze zijn weg!’ vloekt Jan.
‘Als ze maar konden ontsnappen’, hoopt Lenaert, die denkt aan het kanonvuur en de kameraden op de schepen.
‘Wat nu?’ wil Hendrick weten.
‘Over land dan maar, wegwezen. Wie weet waar die spanjolen al zitten.’
‘We moeten naar Gorkum zien te komen’, meent Adriaen.
‘Maar hoe?’ vraagt Wouter: ‘Hoe komen we van het eiland af?’
‘Niet over de dam, niet over de dijken! Het rietland, hier,  we moeten hier door het riet’, wijst Jan de weg. Hij kent de polder en de gorzen op zijn duimpje.

Over de Dintel en de Mooye Keene naderen de Spanjaarden met hun schepen. In het donker zijn de contouren van de driemasters al zichtbaar. Nog even en ze zullen landen en ook van hier het eiland bezetten. Onder dekking van de duisternis lopen de mannen over het gors. Moeizaam klauteren ze over de opeengehoopte ijsschotsen naar de strook rietland langs de polder. Alleen daar kunnen ze zich aan het zicht van de vijand onttrekken, maar waar ze gaan vliegen eenden luid kwakend op.
’Stt, stil eens’, maant Jan de anderen
De mannen blijven doodstil staan, gespitst op ieder geluid om hen heen. Een Noordse woelmuis schiet schichtig voor hun voeten weg. Verder horen ze niets. Vooruit maar weer. Ze passeren een bevroren kreek, maar het ijs is dun en Wouter haalt een natte voet.
‘Donders’, roept hij uit.
‘Stil toch man’, sist Jan. Ze horen ons nog
Dan klinken plotseling schoten.
‘Duiken, spanjolen’, roept Hendrick en hij maakt zijn haakbus gereed om terug te vuren. Maar Jan houdt hem tegen en roept: ’Wie daar?’
Het zijn Geuzen, van hun eigen vendel. Met 5 man hielden ze wacht bij de monding van de kreek, toen de Spanjaarden kwamen.
Ze beraadslagen hoe ze verder moeten. Verderop staan de huizen van de Nieuwe Fijnaart. Een gevaarlijke plek om te passeren. Er is een aanlegplaats. Wat als de vijand daar al geland is? Iemand moet vooruit om te verkennen. Jan besluit zelf te gaan. Hij kent de streek immers het best.

Hier, waar het gors smaller wordt, klimt hij voorzichtig de dijk op. Zo snel hij kan, haast hij zich vooruit. Hij glibbert over de natte klei en valt op zijn gezicht. Snel staat hij op. Hij moet verder. De pijn in zijn knie negeert hij krampachtig. Daar voor hem, verscholen tussen het geboomte liggen de huizen al. Voorzichtig nu. Zijn de bewoners wakker? Zijn er spanjolen? Jan springt van boom naar boom. Dan houdt hij in. In een van de huizen brand licht. Is het kaarslicht? Zijn het vlammen? Jan hoort stemmen, geschreeuw. Zou hij durven dichterbij komen? Maar dan gaat de deur open. Spaanse soldaten komen naar buiten. Ze slepen een jonge vrouw met zich mee. De man kijkt jammerend toe.
‘Ik weet niet waar ze zijn. Ik ken ze niet die Geuzen. Ze hebben mijn graan gestolen. Landlopers zijn het, rovers. Laat haar los, laat mijn dochter los.’
Maar de soldaten duwen de tegenstribbelende vrouw voort naar de schuur. Ze kermt en schreeuwt moord en brand. Jan hoeft niet te raden wat haar te wachten staat. Ze zullen haar om de beurt nemen. Hij besluit in het donker af te wachten. Mogelijk trekken ze verder als ze aan hun gerief gekomen zijn.

Een kwartier later komen de soldaten de schuur uit en verdwijnen over de dijk in de nacht. Jan komt dichterbij. Het geschrei van de meid en het gekreun van de mannen hebben hem opgewonden. Als hij de schuur binnenstapt, schikt de meid haar rokken recht en veegt een traan uit haar oog. Zonder meegevoel loopt Treurniet op haar af, legt zijn hand op haar mond en neemt haar op zijn beurt.
‘Hoeveel zijn er?’ vraagt hij de meid als hij klaar is. Een gierend huilen in zijn antwoord, maar als hij haar flink daar elkaar schudt, probeert zij tussen haar snikken door te vertellen dat een groepje spanjolen met een sloep hier hebben aangelegd. De vier kerels die Jan heeft gezien hebben ze afgezet en toen is de sloep verder gevaren.
‘Hebben jullie een sloep?’
‘Jaha.’
‘Wie is er verder nog in huis?’
‘Mijn vader en moeder enne mijn broertje.’
‘Eten, hebben jullie eten?’
‘Moeder heeft gister broden gebakken.’
‘Vlees?’
‘We hebben wat worst en ham.’
‘Zorg dat je alles wat in huis is klaar legt. Ik kom terug. Vijftien man willen eten en drinken. Als je het niet in orde hebt, dan willen ze allemaal nog wel even met je naar de schuur, tot je moeder …’ dreigt Jan.

Een half uur later dringen de 15 gewapende Geuzen het huis binnen. Op de houten tafel ligt een hele voorraad klaar. De mannen graaien de hompen brood weg en drinken om beurten uit de kruik met bier. Worsten en hammen worden verdeeld. Ze vullen hun magen en hun ransels terwijl ze de angstige pachtersfamilie onder vuur houden.
‘Landlopers en rovers hè’, roept Jan hen nog toe. ‘Beter kies je onze kant. We komen terug, zoveel is zeker. De Spanjaard heeft zijn tijd gehad. En dan schaffen we de tienden af en iedereen mag geloven wat hij wil. En nu de sloep.’

Hier waar de Keene op zijn smalst is en nog beschermd door de nacht, roeien de mannen de kleine sloep naar de overkant, waar Standdaarbuiten ligt, weg van het eiland. Als het ochtendlicht gloort hebben ze de omsingeling doorbroken en zetten ze hun vlucht naar Gorkum voort. Een andere groep van 15 gevluchte Geuzen sluit zich bij hen aan.

Na een lange en moeizame tocht worden ze uiteindelijk in Oosterhout opgepakt en op 12 december 1572 wordt Jan Adriaensen Treurtniet op bevel van Alva terechtgesteld en op het Kasteelplein in Breda door ophanging om het leven gebracht.


Kunst en Cultuurroute Moerdijk

Het is nu definitief. Ik doe mee aan de Kunst & Cultuurroute Moerdijk. Bij de Keenesluis zal ik dan voorlezen uit eigen werk. Heb je aan het eind van de zomer zin in een leuk uitstapje, kom dan zeker luisteren.

achter

 

Uit: ‘De Verlamde vaart; geschiedenis van een zeearm’
11.30 Claes Callaert de turfsteker van de Barlaque.
12.15 Het beleg; Hoe de heer van Zevenbergen zijn stad op moet geven.
13.00 Jacob Seeben en het gestolen riet.
13.45 Uit: ‘Machiel Dierks, het leven van een dagloner’
Waarin we kennismaken met pastoor van Gils, de pastoor die bij de Keenesluis een einde aan zijn leven maakte.
Uit ‘De Verlamde vaart; geschiedenis van een zeearm’
14.45 Jan ‘Treurtniet’ bij de Geuzen
15.30 Patriotten in de Polder
16.00 Lodewijk Napoleon op inspectie

De reis van Lodewijk Napoleon

Vandaag was ik in de Koninklijke Bibliotheek. Ik heb daar het boek Leve de koning! Lodewijk Napoleon op reis door Brabant en Zeeland’ geraadpleegd. Dit boek van de hand van Hans van den Eeden gaat over de inspectiereis die  Lodewijk Napoleon  van 13 april tot en met 18 mei 1809 maakte door Noord-Brabant en Zeeland.

Op 27 april deed de koning met zijn gevolg ondermeer Oudenbosch, Standaarbuiten, Klundert, Zevenbergen en Willemstad aan. Op zijn tocht werd hij vergezeld door ministers, staatssecretarissen, hoge ambtenaren, de groot-schatbewaarder, twee lijfartsen, verschillende dienaren en klerken. Het 30 man tellende gezelschap werd begeleid door een lijfwacht bestaande uit 60 huzaren.

Op deze inspectietocht kwam de koning met zijn gevolg bijzonder dicht in de buurt van de Keenesluis. Een mooie aanleiding voor een historisch verhaal dat zich rondom de sluis af zou hebben kunnen afspelen.

670px-LouisBonaparte_Holland

 

Dat verhaal schrijf ik in het kader van het project rondom de Keenesluis. Ik zal het voorlezen tijdens de Kunst en Cultuurroute Moerdijk op 10/11 en 17/18 september a.s.